HOME


INLEIDING

HOOFDSTUK I
01. Rechtvaardigheid
02. De uitverkorenen
03. De nieuwe Mens
04. Van Oude naar Nieuwe Testament
05. Volmaakt in één leven?
06. Twee wegen, één leven

HOOFDSTUK II:
01. De leerschool
02. Karma in de Bijbel
03. Handelen
04. De zonde
05. Groepskarma
06. Vergankelijk, onvergankelijk zaad

HOOFDSTUK III:
01. Reïncarnatie en de ziel
02. De cyclus van de ziel
03. De ziel in de Bijbel
04. Incarnatie en excarnatie
05. Herleven
06. Wederkeren
07. Het dal der macaberen

HOOFDSTUK IV:
Inleiding
01. De zonnegod Ra
02. Chnoem, de pottenbakker
03. Osiris en de morgenster

HOOFDSTUK V:
01. Elia en Johannes de Doper
02. Koning Saul en Paulus
03. Koning Salomo en Prediker
04. Christus
05. Wederkomst van Jezus/Christus
06. Koning David en Jezus

AFBEELDING A

Karma en reïncarnatie in de Bijbel

Verder vinden we in het etymologisch woordenboek onder zonde de afleidingen: sonde, sunde, sundia, en synn, die eveneens naar de zon verwijzen en tot slot - en dat is een interessant gegeven - kan zonde nog in verband worden gebracht met een deelwoord van het werkwoord es of zijn, volgens het Oudindische sant -vergelijk met satan - dat weer geïnterpr­teerd kan worden als de ont-zijnde.
In de Antieke Wereld was men van mening dat grote watersnoodrampen, zoals de “zondvloed”, werden veroorzaakt door maangoden zoals Sin, wat geen vreemde gedachte is als we bedenken dat de maan eb en vloed regelt  Dergelijke rampen waren bedoeld om de “boze mens” - dat wil zeggen: de niet-zijnde - te straffen. Daarentegen wisten de Zijnden, die zonder zonden waren zich in een “vloed van (zon)licht” te baden.

Jh.01:09-             
Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld. Hij was in de wereld en de wereld is door Hem geworden en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

1Jh.05:18-
Wij weten, dat een ieder, die uit God geboren is, niet zondigt; want Hij die uit God geboren werd, bewaart hem en de boze heeft geen vat op hem.

1Jh.03:04-
Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid. En gij weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij de zonde zou wegnemen, en in Hem is geen zonde. Een ieder die in Hem blijft, zondigt niet, een ieder die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft hem niet gekend.

Hiermee komen we dan aan bij de kern van het verhaal, namelijk dat zonde niets te maken heeft met een subjectieve waardering van goed en kwaad, want goed en kwaad hadden oorspronkelijk betrekking op bewust Zijn (de zon, het licht) en onbewustzijn (maan, duisternis). Verder zag men het Goede als het Ene ongedeelde Leven of Zijn (te weten JHWH), en het kwade als een onbewust omgaan met dualiteit.

Jc. 04:11-
Spreekt geen kwaad van elkander, broeders. Wie van zijn broeder kwaad spreekt, of hem oordeelt, spreekt kwaad van de wet en oordeelt haat. Eén is wetgever en rechter.

Afgezien hiervan kent de Bijbel nog meer uitdrukkingen die er op de een of ander manier op duiden, dat het begrip zonde in de Oudheid een andere strekking had, dan de betekenis die wij er sinds de Middeleeuwen aan hechten. In het Oude Testament komen we Hebreeuwse woorden tegen zoals chattat, chattaa, chetaa of kortweg chet, die allemaal afgeleid zijn van het Hebreeuwse woord hata: de weg kwijt raken. Andere Hebreeuwse woorden zijn awa, of awon die oorspronkelijk betekenen: iets dat krom is, niet meer recht is. Combineren we deze gegevens, dan heeft zonde betrekking op een afwijken van de Rechte Weg. Wie zondigde beging een misstap, waardoor men het juiste doel of de juiste bestemming miste, namelijk: het eeuwig Leven. Resumerend is de conclusie, dat de oorspronkelijke betekenis van zonde betrekking heeft op de afdwaling van de ziel van haar Bron (het Zijn).

Spr.08:35-           
Want wie mij vindt, heeft het leven gevonden
hij heeft van de HERE welgevallen verkregen
Maar wie mij mist, doet zijn leven geweld aan.

Jb.05:24- 
Gij zult ervaren, dat uw tent vrede is.
en wanneer gij uw erf overziet,  zult gij niets missen.

Tot slot moet er nog iets gezegd worden over het bedekken van zonde, wederom een nogal beladen uitdrukking. Wanneer een zonde werd bedekt, werd hij verborgen en was er sprake van bedrog. Bedekken kent echter ook de betekenis van beschamen. Wanneer de zonde werd beschaamd, erkende de zondaar dat er een onrechtmatige daad was begaan. Dan was er geen bedrog in het spel en werd de misstap vergeven. Ps.32:01 heeft betrekking op beschamen en niet op bedekken!

Ps.32:01-
welzalig hij, wiens overtredingen vergeven
wiens zonde bedekt is
welzalig de mens
wie de HERE de ongerechtigheid niet toerekent
en in wiens geest geen bedrog is.

05. Groepskarma

Niet alles wat wij meemaken berust op persoonlijk karma. De rishi’s (oosterse wijzen) stellen heel nadrukkelijk dat er veelal sprake is van groepskarma (familiekarma, nationaal karma, etc.), waarbij hele gemeenschappen hetzelfde lot ondergaan.  Bij de volgende twee passages staat het karma van een heel volk centraal.

Ps.09:16-
De volken zijn verzonken in de kuil die zij dolven in het net dat zij verborgen, raakte hun voet verward. De Here deed Zich kennen, Hij handhaafde het recht; in het werk van zijn handen is de goddeloze verstrikt.

Ob.01:15-
Want nabij is de dag des HEREN over alle volken; zoals gij gedaan hebt, zal u gedaan worden, uw daad zal op uw eigen hoofd terug vallen.

Door het leven in een groep of gemeenschap, draagt een lid de collectieve lusten en lasten. Alles wat een gemeenschap als geheel aan nationaal gevoel beleeft en haar eventueel wordt aangedaan, valt hieronder. Te denken valt ondermeer aan oorlogen, epidemieën, natuurrampen, etc. Het persoonlijk lot is dus in velerlei opzicht afhankelijk van de naasten. Of omgekeerd: één enkel persoon kan in staat zijn een heel volk te gronde te richten.

Ga verder met hoofdstuk II, paragraaf 05 »