HOME


INLEIDING

HOOFDSTUK I
01. Rechtvaardigheid
02. De uitverkorenen
03. De nieuwe Mens
04. Van Oude naar Nieuwe Testament
05. Volmaakt in één leven?
06. Twee wegen, één leven

HOOFDSTUK II:
01. De leerschool
02. Karma in de Bijbel
03. Handelen
04. De zonde
05. Groepskarma
06. Vergankelijk, onvergankelijk zaad

HOOFDSTUK III:
01. Reïncarnatie en de ziel
02. De cyclus van de ziel
03. De ziel in de Bijbel
04. Incarnatie en excarnatie
05. Herleven
06. Wederkeren
07. Het dal der macaberen

HOOFDSTUK IV:
Inleiding
01. De zonnegod Ra
02. Chnoem, de pottenbakker
03. Osiris en de morgenster

HOOFDSTUK V:
01. Elia en Johannes de Doper
02. Koning Saul en Paulus
03. Koning Salomo en Prediker
04. Christus
05. Wederkomst van Jezus/Christus
06. Koning David en Jezus

AFBEELDING A

Karma en reïncarnatie in de Bijbel

Hoofdstuk V: Vorige levens

01. Elia en Johannes de Doper

Bij de vraag of er in de Bijbel sprake is van reïncarnatie, kunnen we natuurlijk niet om de profeet Elia heen,
die reïncarneerde als Johannes de Doper. De levenswandel van Elia is te lezen in de boeken Koningen,
waarin de profeet vrij plotseling wordt voorgesteld als een man uit Tisbit, een plaatsje in Gilead.
Tegenstander van Elia was koning Achab (871-852 voor Chr.) die onder invloed van Izebel de Phenicische
godsdienst bevorderde en Israël vervolgde. De profeet Elia was een van de lievelingsfiguren uit de
geschiedenis van Israël, omdat hij bijzondere gaven had en wonderen kon verrichten. Meest opmerkelijk is
wel, dat Elia na zijn dood ten hemel zou varen.

2Kn.02:11-
Alzo voer Elia ten hemel.

Het feit dat men na zijn hemelvaart verwachtte dat de profeet op aarde zou terugkeren om de weg te bereiden voor de komst van Jezus, wijst op zich al naar reïncarnatie. De aankondiging van Elia’s wederkomst wordt voorspeld in het boek Maleachi, dat men dateert vanaf 515 voor Chr. De tweede tempel was toen al gebouwd en wordt in het boek Maleachi vermeld. Tussen het leven van Elia (±871-852 voor Chr.) en het boek Maleachi zit dus ongeveer 300 jaar.

Ml.03:01-
Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn gezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot de tempel komen de Here, die gij zoekt, namelijk de Engel des verbonds, die gij begeert. Zie, Hij komt, zegt de HERE der heerscharen.

Ml.04:05-
Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote geduchte dag des HEREN komt (...).

Elia zou reïncarneren als Johannes de Doper, die als wegbereider zou fungeren. Laatste wordt bij Lc.01:76
als volgt getypeerd.

Lc.01:76-
En gij kind, zult een profeet des Allerhoogsten heten; want gij zult uitgaan voor het aangezicht des Heren, om zijn wegen te bereiden, om aan het volk te geven kennis van heil in de vergeving hunner zonden, door de innerlijke barmhartigheid van onze God.

Lc.01:80-
Het kind nu groeide op en werd gesterkt door de Geest. En hij vertoefde in de woestijnen tot op de dag, dat hij zich aan Israël vertoonde.

In de volgende drie fragmenten bevestigt Jezus dat Johannes de Doper een incarnatie van Elia was.

Mt.17:10-
(…) maar Ik zeg u dat Elia reeds gekomen is en zij hebben hem niet erkend, maar zij hebben met hem gedaan al wat zij wilden. Zó zal ook de Zoon des mensen door hen moeten lijden. Toen begrepen de discipelen, dat Hij over Johannes de Doper tot hen gesproken had.

Mt.11:13-
Want al de profeten en de wet hebben geprofeteerd tot Johannes toe; en indien gij het wilt aanvaarden: Hij  is Elia, die komen zou. Wie oren heeft, die hore!

Lc.01:17-
En hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia.

In de Oudheid was de bevolking over het algemeen bekend met reïncarnatie, maar persoonlijke gegevens over vorige levens werden alleen geopenbaard aan ingewijden, zoals de discipelen. Hierboven sprak Jezus openlijk tegen zijn discipelen over het vorige leven van Johannes. Bij het volgende fragment, zie we Johannes ontwijkend reageren op de vraag van de Joden (die kennelijk niet waren ingewijd) of hij Elia was.

Jh.01:19-
En dit was het getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en Levieten tot hem zonden om hem te vragen: Wie zijt gij? En hij beleed en ontkende het niet; en hij beleed: Ik ben de Christus niet. En zij vroegen hem: Wat dan? Zijt gij Elia? En hij zeide: Ik ben het niet.

We hebben hier te maken met de zogeheten ik ben-woorden. De Joden vroegen Johannes naar zijn identiteit: Wie bent gij? Waarop Johannes niet ontkende te Zijn. Echter op de vraag of hij Elia was zei Johannes: Ik ben het niet. Met andere woorden: de ware Identiteit van Johannes school in zijn Zijn; niet in de persoon Elia. De getuigenis van Jezus, dat Johannes de Doper een incarnatie van Elia was, blijft hiermee overeind staan.

Met deze informatie stappen we over op Mt.16:13 en Lc.09:07, waar in eerste instantie verwarring ontstaat over de vraag van wie de Zoon des mensen nu eigenlijk de incarnatie was.

Mt.16:13-
Wie zeggen de mensen, dat de Zoon des mensen is? En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper: anderen: Elia, weer anderen: Jeremia, of één der profeten. Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? Simon Petrus antwoordde en zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende god.

Ook Simon Petrus omzeilde de vraag van de burgers door te verwijzen naar Zijn ware Identiteit. Christus is de mystieke naam.

Lc.09:07-
Herodus de viervorst, hoorde alles wat er gebeurd was en wist niet wat ervan te denken, omdat door sommigen gezegd werd, dat Johannes uit de doden was opgewekt, door sommigen dat Elia verschenen was, door anderen, dat een der oude profeten was opgestaan. Maar Herodus zeide; Johannes heb ik zelf laten onthoofden.

In de volgende paragrafen zien we Israëls drie koningen Saul, David en Salomo in een volgend leven optreden.

Ga naar hoofdstuk V, paragraaf 02 »