HOME

"KEN UZELVE"

INLEIDING

HOOFDSTUK I: De persoon

01. Geen aanzien des persoons
02. Begoocheling
03. Egoïsme
04. Over mijn en dijn
05. Begeerte
06. De buik
07. De slavernij

HOOFDSTUK II: Ken uzelve

01. Het Zelf
02. De ziel
03. De nieuwe Mens

HOOFDSTUK III: Transformatie

01. Meerdere niveaus
02. Denken
03. Willen
04. Gevoelens
05. De schillen afpellen
06. De aarden vaten
07. Binnen en buiten

HOOFDSTUK IV: Verwantschap

01. De wet van analogie
02. Zo vader, zo zoon
03. Allen zonen Gods
04. De kinderkens
05. Het zaad
06. Erfelijkheid
07. Erfgenamen en erfdeel
08. Broeders en zusters


"KEN UZELVE"

Hieronder volgt een kleine selectie, waarin de Ziel nog wel voorkomt.

Dt.10:32-        
Met zeventig zielen trokken uw vaderen naar Egypte, en thans heeft de HERE, uw God, u talrijk gemaakt als de sterren des hemels.

1Sm.18:01-     
Terstond nadat David opgehouden had tot Saul te spreken, werd de ziel van Jonathan verknocht aan die van David; en Jonathan had hem lief als zichzelf.

Tussen David en Jonathan bestond zielsverwantschap. Het woordje zichzelf verwijst naar de ware identiteit.

2Sm.17:22-     
Laat toch de ziel van dit kind in hem terugkeren. En de HERE hoorde naar de stem van Elia, en de ziel van het kind keerde in hem terug, zodat het levend werd.

Het kind werd levend omdat de ziel in het lichaam terugkeerde.

Jb.12:09-                    
(…) wie onder deze alle weet niet,
dat de hand des HEREN dit doet
in wiens hand de ziel is van al wat leeft
en de geest van ieder sterveling?

De ziel wordt beschouwd als middelaar tussen lichaam en geest.

Ps.131:02-      
Immers heb ik mijn ziel tot rust gebracht
als een gespeend kind bij zijn moeder
als een gespeend kind is mijn ziel in mij.

Ez.18:04-        
Zie, alle zielen zijn van Mij, zowel de ziel van de vader als die van de zoon zijn van Mij; de ziel die zondigt, die zal sterven.

3Jh.01:02-      
Geliefde, ik bid, dat het u in alles wèl ga en gij gezond zijt, gelijk het uw ziel wèl gaat.

Hd.02:41-       
Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd.

1Pt.01:08-      
(…) en gij verheugt u met onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde (…) dat is de zaligheid der
zielen.

1Pt.02:11-      
(…) dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel.




03.De nieuwe Mens

Hos.10:12-     
Zaait in gerechtigheid, oogst in liefde, ontgint u nieuw land.

Wanneer het lager ego transformeert in het hoger Zelf, wordt er een nieuwe Mens geboren. We lezen hierover in het Nieuwe Testament, waar nieuw de vertaling van het Griekse kairos, hetgeen betekent: nieuw van aard, of nieuw van bestaanswijze.

2Cor.04:16-   
Daarom verliezen wij de moed niet, maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke mens van dag tot dag vernieuwd.

Ef.02:14-        
(…) want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt, en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf vrede makend de twee tot één nieuwe mens te scheppen ( …)
.

2Cor.05:16-   
Zo kennen wij dan van nu af aan niemand naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer. Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbij gegaan, zie, het nieuwe is gekomen.

Kairos is hier gebruikt voor nieuwe schepping.

Gl.06:15-        
Want besneden zijn, of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is
(..).

Col.03:09-      
Lieg niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd, en de nieuwe aangedaan hebt die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper, waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar of Scyth, slaaf en vrije maar alles en in allen is Christus.

Opb.21:05-     
En Hij die op de troon gezeten is: zeide, Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide: Schrijf want deze woorden zijn getrouw en waarachtig.

Ga naar hoofdstuk III »