HOME

"KEN UZELVE"

INLEIDING

HOOFDSTUK I: De persoon

01. Geen aanzien des persoons
02. Begoocheling
03. Egoïsme
04. Over mijn en dijn
05. Begeerte
06. De buik
07. De slavernij

HOOFDSTUK II: Ken uzelve

01. Het Zelf
02. De ziel
03. De nieuwe Mens

HOOFDSTUK III: Transformatie

01. Meerdere niveaus
02. Denken
03. Willen
04. Gevoelens
05. De schillen afpellen
06. De aarden vaten
07. Binnen en buiten

HOOFDSTUK IV: Verwantschap

01. De wet van analogie
02. Zo vader, zo zoon
03. Allen zonen Gods
04. De kinderkens
05. Het zaad
06. Erfelijkheid
07. Erfgenamen en erfdeel
08. Broeders en zusters


"KEN UZELVE"

Inleiding

In ieder mens borrelt van tijd tot tijd een soort oerheimwee op, een vaag herinneren of verlangen naar een ideale situatie of plek, die hier op ons ondermaanse blijkbaar onvindbaar is. Volgens mystici zou deze herinnering voortkomen uit de godsvonk die tot ons spreekt, en die ons vertelt het liefste thuis te zijn bij, en te verlangen naar datgene waar het heimwee uit voortkomt: ons eigen Zijn, de diepste Kern in onszelf. Door te Zijn en dit Zelf te Zijn is de mens eindelijk thuis. Niet alleen thuis bij Zichzelf, maar tegelijk bij JHWH, de Zijnde die ook wel  “de goddelijke Vader” wordt noemt.
Alle religies zijn het er over eens dat de mens uit het goddelijke Zijn is ontstaan, en aan Hem verwant is. Volgens de Hebreeën is de naam van God JHWH,  kortweg vertaald door de Zijnde, maar ook wel door de alom aanwezig Zijnde of het alom tegenwoordig Zijn.
In principe maakt het weinig uit of men dit totaal-Zijn God noemt of niet; of men Hem als een Persoon ziet dan wel als een abstracte Aanwezigheid. Een naam duidt immers op de identiteit van iets of iemand en daarbij draait het om de essentie; niet om de uiterlijke vorm. In dit geval is de Essentie: Zijn (het Griekse werkwoord esse betekent zijn). Met andere woorden: het goddelijke Zijn is de Essentie Zelf.
De betekenis van JHWH of het Zijn bezit een hoge potentiële waarde, omdat het Zijn synoniem en/of verwant is aan andere woorden en dus vanuit meerdere invalshoeken te interpreteren is.

1.
Als Essentie duidt het Zijn op de absolute Werkelijkheid.
2.
De Werkelijkheid te Zijn verwijst naar het Wezenlijke, of naar het Wezen. Zodra we het Zijn als Wezen beschouwen, kunnen we God opvatten als een Persoon.
3.
Het Wezen houdt weer verband met Bestaan. Zijn is in feite Werkelijk Bestaan.
4.
Dit Bestaan is Werkelijk omdat het Onveranderlijk is, en in die zin is Zijn synoniem aan  Onveranderlijk (eeuwig) Leven.
5.
Vervolgens kunnen we de begrippen tegenwoordig Zijn en aanwezig Zijn zowel naar tijd als naar plaats opvatten als eeuwig Nu-Zijn en Hier-Zijn. Wie tegenwoordig is, is (er) nu. Wie aanwezig is, is hier aanwezig.
6.
Tot slot verwijzen tegenwoordig en aanwezig Zijn naar bewust-Zijn. Tegenwoordig zijn van geest en aanwezig zijn van geest (met de aandacht bij iets aanwezig zijn) duiden op een helder bewust-Zijn. Aldus kunnen we God als de alom aanwezig en tegenwoordig Zijnde omschrijven als kosmisch bewustzijn (bewust-Zijn), het totale vat van Kennis.

Bovenstaande eigenschappen van wat wij God noemen, worden overgedragen op de Mens, die middels zijn Zijn verwant is aan JHWH, de alom tegenwoordig Zijnde. De relatie tussen de mens en God is dus te vinden bij dit Zijn, want in zijn diepste wezen is de mens eveneens een zijnde. Macrokosmos is microkosmos. Zo Vader, zo zoon.
De mens is slechts een vonkje van het totale bewust-Zijn, dat in de Oudheid ook wel werd gezien als kosmisch vuur. Niet zo vreemd, want bewustzijn werd uitgebeeld door het licht van de zon die een vuurbal is. De zichtbare zon was het uiterlijke symbool van de innerlijke Zon.
Een ander element waarmee het goddelijke in verband stond was water, want het Leven of Zijn voelde men in en door zichzelf als een stromende, vloeiende of golvende beweging. Aldus vergeleek men  God met de kosmische oceaan, en was de mens gelijk een druppel hieruit die dezelfde kenmerken bezit als de gehele oceaan.
De Ziel of het hoger Zelf zijn andere termen om er de mens als bewust-Zijnde mee aan te duiden. Wanneer iemand zich bewust wordt van zijn werkelijke Identiteit, spreken we niet meer van mens, maar van Mens met een hoofdletter. De Mens die Is, dat wil zeggen bewust Is en contact heeft met zijn ziel, begrijpt zijn relatie met God, omdat hij de gelijkenis ziet tussen zijn eigen wezen en dat van God, de alom tegenwoordig Zijnde, en hierdoor ontstaat automatisch het besef in wezen van goddelijke aard te zijn.

Ps.08:04-        
Aanschouw ik uw hemel, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren, die Gij bereid hebt:
Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt,
en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet?
Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt.

Om een misverstand uit de wereld te helpen, het idee dat de Mens in potentie van goddelijk aard is, betekent niet dat hij God Zélf is. Als wij zeggen, dat een zoon op zijn vader lijkt, bedoelen wij niet te zeggen, dat die zoon dezelfde is als zijn vader. De zoon lijkt echter op zijn vader, want hij is drager van dezelfde erfelijke eigenschappen.

Ps. 50:21-       
Gij beeldt u in, dat Ik geheel ben als gij.

Rm.11:16-      
(…) en is de wortel heilig, dan ook de takken. Indien nu enkele van de takken weggebroken zijn en gij als wilde loot daartussen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen, beroemt u dan niet tegen de takken! Indien gij u ertegen beroemt -niet gij draagt de wortel, maar de wortel ú.

In werkelijkheid is de mens maar een klein stipje in de gehele kosmos, en zo bekeken lijkt hij eerder op een aardworm!

Ps.22:06-
Maar ik ben een worm en geen man (...)

Jb.25:06-        
(…) hoeveel te minder de sterveling, een made,
het mensenkind, een worm?

Js.41:14-        
Vrees niet, gij wormpje Jakob, gij volkje Israëls.

Ga verder met inleiding »