HOME

DE WET VAN ANALOGIE

HET DUALITEITSPRINCIPE
Inleiding
Hoofdstuk I: functies van dualiteit
01. Dualiteit en schepping
02. Dualiteit en verandering
03. Dualiteit en beweging
04. Dualiteit en evenwicht
05. De weegschaal
Hoofdstuk II: valkuilen van dualiteit
01. Scheuring en verdeeldheid
02. Dualiteit en strijd
03. Dualiteit en scheiding
04. Geen partij kiezen
05. Dualiteit en begoocheling
06. Horizontale en verticale lijn
07. Drie fasen van bewustzijn.
Hoofdstuk III: voorbeelden
01. Opkomst en ondergang zon
02. Leven en dood
03. Opbouw en afbraak
04. Goed en kwaad
05. Man en vrouw
06. Links en rechts
07. Nog meer voorbeelden

DE KRINGLOOP
01. Het geocentrisch wereldbeeld
02. Kringloop in de Bijbel
03. Kringloop en mythologie
04. Kringloop en tijd
05. Kringloop en bestemde tijd
06. Kringloop en het lot
07. Zieners en droomuitleggers

DE GROEISPIRAAL
01. Inleiding
02. De toren van Babel
03. Verzamelen en verstrooien
04. Door de wind voortgedreven
05. Als het Rad stilstaat

kosmische samenhang

Jz.24:14-
Maar zoals al het goede over u gekomen is, dat de HERE uw God u beloofd heeft, zo zal de HERE alle kwaad over u brengen (…).

Kl.03:38-
Komt niet uit de mond des Allerhoogsten het kwade en het goede? Wat klaagt dan een mens in het leven! Ieder klage over zijn zonde.

Identificatie met dualiteit is de oorsprong van de zonde. Men maakt zelf subjectief onderscheid tussen goed en kwaad. Epicurus vertelde hierover:

Niet de Natuur, die één en dezelfde is van alle dingen, maakt goeden en slechten maar hun gezindheid en daden.”

Aldus werd men geadviseerd niet in termen van goed en kwaad te spreken.

Gn.31:29-
Neem u in acht, dat gij met Jakob niet ten goede of ten kwade spreekt.

Gn.24:50-
Toen antwoordde Laban, alsook Bethuël en zij zeiden: Dit is een bestiering van de HERE, wij kunnen niets tot u zeggen ten kwade of ten goede.

Nm.23:13-
Al gaf Balak mij zijn huis vol zilver en goud, ik zou niet in staat zijn het bevel des HEREN te overtreden door goed of kwaad te doen uit mijzelf (…).

Wie een beeld maakt van het goede, kent automatisch het kwade, want het één komt uit het ander voort.

Rm.07:21-
Zo vond ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig.

Jb.30:26-
Ik verwachtte het goede, maar het kwade kwam.

Js.05:20-
Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad.

Ook hier zou het de interpretatie vergemakkelijken, als het Goede (in de zin van het Ene) met een hoofdletter werd geschreven: overwin het kwade door het Goede.

Rm.07:21-
Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

Rm.12:09-
Wees afkerig van het kwade, gehecht aan het goede.

Het kwade (dualiteit) wordt overwonnen door zich op Eenheid te richten. men moet zich hechten aan Eenheid (het Goede).

05. Man en vrouw

De fragmenten die over de relatie tussen man en vrouw handelen, zijn op verschillende niveaus interpretabel, en helaas spelen verouderde normen en waarden hier nog vaak een rol. We kunnen ons aan deze problemen onttrekken door de relatie tussen man en vrouw symbolisch op te vatten als een metafoor voor het dualiteitsprincipe. Er blijken meerdere mogelijkheden te bestaan, want man en vrouw kunnen betrekking hebben op:

1. de positieve en negatieve pool (als de twee paren van tegenstelling);
2. geest (mannelijk, Eén ongedeeld Leven) en stof (vrouwelijk dualiteit);
3. mannelijke en vrouwelijke kant van de mens.

Naast het dualiteitsprincipe speelt de wet van analogie een voorname rol bij de scheppingsverhalen. Zo werd de mens naar het beeld Gods (het kosmisch beeld) geschapen, dus naar eenheid én dualiteit.

Gn.01:26-
En God zeide: laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis (…).

Gn.01:27-
En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep hij hem; man en vrouw, schiep Hij hen.

Gn.02:21-
Toen deed de HERE God een diepe slaap op de mens vallen en terwijl deze sliep, nam Hij een van zijn ribben en sloot haar plaats toe met vlees. En de HERE God bouwde de rib, die hij uit de mens genomen had tot een vrouw en Hij bracht haar tot de mens. Toen zeide de mens: Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees; deze zal “mannin” heten, omdat zij uit de man genomen is.

Bij Gn.02:21 duidt de mens op Adam, wiens naam samenhangt met adama, dat rode aarde betekent, zodat het hier de schepping van het stoffelijk lichaam betreft, hetgeen wordt bevestigd bij 1Cor.15:47.

1Cor.15:47-
De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk (…).

Aanvankelijk werd er dus een onzijdig lichaam geschapen, Adam genoemd. Uit de rib (beter vertaald door zijde) werd het vrouwelijke aspect gebouwd,  zodat het geslachtloze lichaam een mannelijk en vrouwelijk zijde kreeg. Het betreft hier nog steeds de opbouw van het stoffelijk lichaam, want Adam riep: been van mijn gebeente, vlees van mijn vlees.

Ga verder met hoofdstuk III, paragraaf 05 »