HOME

DE WET VAN ANALOGIE

HET DUALITEITSPRINCIPE
Inleiding
Hoofdstuk I: functies van dualiteit
01. Dualiteit en schepping
02. Dualiteit en verandering
03. Dualiteit en beweging
04. Dualiteit en evenwicht
05. De weegschaal
Hoofdstuk II: valkuilen van dualiteit
01. Scheuring en verdeeldheid
02. Dualiteit en strijd
03. Dualiteit en scheiding
04. Geen partij kiezen
05. Dualiteit en begoocheling
06. Horizontale en verticale lijn
07. Drie fasen van bewustzijn.
Hoofdstuk III: voorbeelden
01. Opkomst en ondergang zon
02. Leven en dood
03. Opbouw en afbraak
04. Goed en kwaad
05. Man en vrouw
06. Links en rechts
07. Nog meer voorbeelden

DE KRINGLOOP
01. Het geocentrisch wereldbeeld
02. Kringloop in de Bijbel
03. Kringloop en mythologie
04. Kringloop en tijd
05. Kringloop en bestemde tijd
06. Kringloop en het lot
07. Zieners en droomuitleggers

DE GROEISPIRAAL
01. Inleiding
02. De toren van Babel
03. Verzamelen en verstrooien
04. Door de wind voortgedreven
05. Als het Rad stilstaat

kosmische samenhang

HOOFDSTUK I: FUNCTIES VAN DUALITEIT

01. Dualiteit en schepping

Sedert de vroege Oudheid ontstonden er overal ter wereld een grote verscheidenheid aan scheppings-verhalen. De meeste van deze mythologische verhalen beginnen met het creëren van een zekere orde in de chaotische “oerpap”, die in oudere Bijbels wordt omschreven als baaierd. In bijna al deze verhalen gaat de omschakeling van kosmische warboel gepaard met een enorme strijd tussen de goden, waardoor de wanorde eerder werd aangemoedigd. Het scheppingsverhaal in Genesis distantieert zich van een dergelijke oorlog, want voor Israël bestond er maar één God, die de schepping dan ook in Zijn eentje volbracht.
Normaal gesproken vindt orde op zaken stellen zijn beslag door het instellen van concrete wetten en/of regels, die structuur aanbrengen in de wirwar. Alles moest bij wijze van spreken worden ingedeeld in hokjes en vakjes, zoals we een stapel boeken netjes kunnen opruimen door ze in een boekenkast onder te brengen. Elke boekenplank heeft zijn eigen onderwerp. Iets dergelijks moeten de schriftgeleerden -  die de hele dag met hun neus in de boekrollen zaten - voor ogen hebben gehad bij de ordening van de oerchaos.
Bij de indeling van de kosmos schoot de getallenleer hun te hulp. De getallen twee en zeven bijvoorbeeld, nemen bij de scheppingsverhalen een prominente plaats in. Het getal twee verwijst naar het dualiteitsprincipe. Het getal zeven duidt op de zeven windes van de evolutiespiraal, en werd uitgebeeld door de zeven scheppingsdagen.

Veel mythologische scheppingsverhalen draaien om een soortgelijke indeling: een oorspronkelijke eenheid, die zich eerst in tweeën splitst. Van deze uiteenvalling bestonden meerdere varianten. In Griekenland, India en Iran (Perzië) ging het om het doorklieven van het grote kosmische Ei. In Egypte werd de oorspronkelijke eenheid gesplitst in hemel en aarde (respectievelijk Noët en Geb), waar het scheppingsverhaal in Genesis eveneens mee begint. En in China hecht men nog steeds veel waarde aan het Yin -en Yangprincipe.
Gelijk het Bijbelse scheppingsverhaal de splitsing in tegengesteld werkende krachten weergeeft, zo bracht het zilveren Ei in de Orfische kosmogonie een dubbelgestalte voort. Het Ei werd opengespleten door de Tijd en de Noodzakelijkheid, waardoor de Liefde als een tweeslachtig wezen werd geboren. Vervolgens kwamen alle andere tegenstellingen uit het opengebarsten Ei tevoorschijn: licht en donker, mannelijk en vrouwelijk, liefde en haat, enzovoort, die de structuur van de aldus gemanifesteerde wereld kracht en energie gaven.
Kortom, gebruik makend van dualiteit ging de God van Israël op soortgelijke wijze te werk, toen Hij de wereld schiep. En ook daarna bleef het dualiteitsprincipe de motor van Zijn actieve handelen. Hij bouwt op én breekt af. Hij verzamelt én verstrooit. Hij zegent én vervloekt.

Hoewel de symboliek dus kan verschillen, waren vele culturen het kennelijk eens over het elementaire idee dat dualiteit het fundament is van het zichtbare, stoffelijke bestaan: de vormenwereld. Dualiteit bouwt vormen op, zo redeneerde men. Elke vorm bezit immers een linker en rechter kant, een voorzijde en achterzijde, etc., waardoor het zich begrenst. Bovendien leidt dualiteit tot verdere verstrooiing. De twee wordt vier, de vier twaalf enzovoort.
Door het kosmologisch dualisme (hemel en aarde), het antropologisch dualisme (man en vrouw) en het ethisch dualisme (goed en kwaad) in te voeren, werd het werk van de vele scheppingsgoden uitgeschakeld, en was Israëls God in staat het scheppingswerk alleen te volbrengen.

Gn.01:10-
In den beginne schiep God de hemel en de aarde.

Gn.01:04-
(…) en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag en de duisternis nacht. Toen was het avond  geweest en het was morgen geweest.

Gn.01:07-
(…) en Hij scheidde de wateren die onder het uitspansel waren, van de wateren die boven het uitspansel waren (…).

Volgens het principe macrokosmos is microkosmos werd het dualiteitsprincipe op de mens geprojecteerd. Wat in het groot geldt, is eveneens van toepassing op het kleine.

Gn.01:27-
En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.

Gn.02:09-
(…) en de boom des levens in het midden van de hof, benevens de boom der kennis van goed en kwaad.

De mens is dualistisch ingesteld, zowel fysiek, mentaal als gevoelsmatig. Hij bezit een linker en rechter hersenhelft, een mannelijk en vrouwelijk deel, een verstandspool en gevoelspool. Hij kan twijfelen tussen dit of dat, en ziet verschil tussen het één en het ander. Aldus wekt zijn dualistisch ingestelde bewustzijn verdeeldheid en verstrooiing op. Mensen zijn echter ook in staat om de paren van tegenstelling in zijn geheel te bezien, en zich op Eenheid te richten. De geschiedenis van Adam en Eva wijst op dit verschil tussen eenheid en dualiteit middels het onderscheid tussen goed en kwaad. Zij werden uit het paradijs (de paradijselijke eenheid) verdreven, omdat zij van “de boom der kennis van goed en kwaad” hadden gegeten en zich hadden geïdentificeerd met dualiteit. Goed en kwaad hebben hier dus geen subjectieve betekenis, maar moeten in de context van de uit-Een-valling worden beoordeeld. Dit is de essentiële boodschap van bovenstaande fragmenten.

Mt.19:16-
En zie: iemand kwam tot Hem en zeide: Meester, wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven? Hij zeide tot hem: Wat vraagt gij Mij naar het goede? Eén is de Goede.

Kortom, het kwade heeft betrekking op de aards ingestelde mens die zich identificeert zich met de vormenwereld en de dualiteit, en daarmee in de verkeerde richting kijkt.

Ga naar hoofdstuk I, paragraaf 02 »