HOME

DE WET VAN ANALOGIE

HET DUALITEITSPRINCIPE
Inleiding
Hoofdstuk I: functies van dualiteit
01. Dualiteit en schepping
02. Dualiteit en verandering
03. Dualiteit en beweging
04. Dualiteit en evenwicht
05. De weegschaal
Hoofdstuk II: valkuilen van dualiteit
01. Scheuring en verdeeldheid
02. Dualiteit en strijd
03. Dualiteit en scheiding
04. Geen partij kiezen
05. Dualiteit en begoocheling
06. Horizontale en verticale lijn
07. Drie fasen van bewustzijn.
Hoofdstuk III: voorbeelden
01. Opkomst en ondergang zon
02. Leven en dood
03. Opbouw en afbraak
04. Goed en kwaad
05. Man en vrouw
06. Links en rechts
07. Nog meer voorbeelden

DE KRINGLOOP
01. Het geocentrisch wereldbeeld
02. Kringloop in de Bijbel
03. Kringloop en mythologie
04. Kringloop en tijd
05. Kringloop en bestemde tijd
06. Kringloop en het lot
07. Zieners en droomuitleggers

DE GROEISPIRAAL
01. Inleiding
02. De toren van Babel
03. Verzamelen en verstrooien
04. Door de wind voortgedreven
05. Als het Rad stilstaat

kosmische samenhang

02. Dualiteit en verandering

De wet van dualiteit is synoniem aan de wet van verandering. Doordat het een op zijn tijd omslaat in het ander, staat de gemanifesteerde wereld constant aan verandering onderhevig. De nacht verandert in de dag, zomer in winter, etc. In deze context kunnen we onderstaand advies van de Romeinse keizer en christelijk filosoof Marcus Aurelius (161-180 na Chr.) interpreteren.

“Zie hoe alles voortdurend uit verandering ontstaat, en wen u eraan dat de natuur niets liever doet dan bestaande dingen te veranderen door nieuwe varianten te scheppen. Onderwerp u aan de wet van verandering, want dan zal er geen kwaad voor u bestaan, maar voor degenen die zich tegen de wet verzetten, zal er geen goed op de wereld bestaan.”

Dn.02:20-
Daniël hief aan en zeide: Geprezen zij de naam Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid want Hij behoort de wijsheid en de kracht! Hij toch verandert tijden en stonden. Hij zet koningen af en stelt koningen aan.

Spr.27:23-
Let wel op de staat van uw kleinvee, en zet uw hart op de kudden, want een schat duurt niet voor eeuwig; blijft soms een kroon van geslacht tot geslacht?

Rijkdom is niet van blijvende waarde, en zelfs koningen waren onder de wet van dualiteit geplaatst.
Wie zich met dualiteit identificeert, verandert steeds zijn weg.

Jr.02:36-
Hoe vaak gaat gij uw weg veranderen!

Jr.02:21-
Ik echter had u geplant als een edele druif, een volkomen zuiver zaad; doch hoe zijt gij Mij veranderd in wilde ranken van een vreemde wingerd!

De volgende twee fragmenten handelen over het veranderlijke karakter van de HERE.

Jb.30:21-
Gij verandert U voor mij in een meedogenloze
Gij bestrijdt mij met uw sterke hand.

Jb.14:18-
Gelijk een ineengestorte berg in gruis valt, en een rots gerukt wordt uit haar plaats, het water stenen afslijpt, zijn stromen het stof der aarde wegspoelen, zo vernietigt Gij des mensen hoop. Gij overweldigt hem voor altijd en hij gaat heen. Gij verandert zijn gelaat en zendt hem weg.

 03. Dualiteit en beweging

Dualiteit en verandering zijn twee componenten die niet van elkaar zijn te scheiden. hetzelfde geld voor dualiteit en beweging, want dualiteit is de gangmaker die voor beweging en actie zorgt. Tegenstellingen zorgen bijvoorbeeld voor de kringloop van het bestaan, en de (schijnbare) beweging van de zon ontstaat uit haar opkomst en ondergang.

De eerste splitsing (tussen hemel en aarde) leverde tegelijk een eerst beweging op. Maar in het begin van de schepping was er nog te weinig structuur om er adequaat en ordelijk richting aan te geven. De bewegingen stonden nog in de kinderschoenen, zoals een peuter zijn eerste ongecoördineerde pasjes maakt. De Bijbel omschrijft deze premature fase als zweven en wemelen, een oeverloos rondfladderen in de oerzee. Volgens de etymologie houden zweven en wemelen verband met:
sweven            -heen en weer gaan, of op en neer gaan;
swifan             -zich bewegen, keren;
sweifeln          -wankelen.

Gn.01:02-
De aarde nu was woest en ledig en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren.

Gn.01:20-
En God zeide: Dat de wateren wemelen van levende wezens, en dat het gevogelte over de aarde vliege langs het uitspansel des hemels. Toen schiep God de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens, waarvan de wateren wemelen (…).

Ook het krioelen is een ongecontroleerde beweging. Naarmate het proces vorderde, ontstonden er pas ritmische bewegingen.
We stellen ons nu de dualiteit leeg en vol voor. Wanneer de tijd is aangebroken dat het volle op zijn volst is, zal het automatisch overstromen naar het lege.

Rt.01:21-
Vol ben ik heengegaan, maar leeg heeft mij de HERE doen terugkeren.

Volgens hetzelfde systeem zal het meeste overstromen naar het minste, het hoogste overstromen naar het laagste, een te veel overlopen naar een te weinig.

Wanneer de maat vol is, keert het proces zich weer om. In dit licht moeten we de twee onderstaande passages bezien.

Gn.15:16-
Het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol.

Ga verder met hoofdstuk I, paragraaf 03 »