HOME

DE WET VAN ANALOGIE

HET DUALITEITSPRINCIPE
Inleiding
Hoofdstuk I: functies van dualiteit
01. Dualiteit en schepping
02. Dualiteit en verandering
03. Dualiteit en beweging
04. Dualiteit en evenwicht
05. De weegschaal
Hoofdstuk II: valkuilen van dualiteit
01. Scheuring en verdeeldheid
02. Dualiteit en strijd
03. Dualiteit en scheiding
04. Geen partij kiezen
05. Dualiteit en begoocheling
06. Horizontale en verticale lijn
07. Drie fasen van bewustzijn.
Hoofdstuk III: voorbeelden
01. Opkomst en ondergang zon
02. Leven en dood
03. Opbouw en afbraak
04. Goed en kwaad
05. Man en vrouw
06. Links en rechts
07. Nog meer voorbeelden

DE KRINGLOOP
01. Het geocentrisch wereldbeeld
02. Kringloop in de Bijbel
03. Kringloop en mythologie
04. Kringloop en tijd
05. Kringloop en bestemde tijd
06. Kringloop en het lot
07. Zieners en droomuitleggers

DE GROEISPIRAAL
01. Inleiding
02. De toren van Babel
03. Verzamelen en verstrooien
04. Door de wind voortgedreven
05. Als het Rad stilstaat

kosmische samenhang

05. Kringloop en bestemde tijd

Zolang er tussen tegenstellingen een zekere spanning is en de these overgaat in de antithese, ontstaat er een cyclische beweging. Tegenstellingen wisselen elkaar voortdurend af, houden de kringloop in stand zodat het evenwicht in de kosmos wordt gehandhaafd, en dus ook op aarde. In Oosterse landen neemt dit elementaire idee van kringloop als samsara nog steeds een prominente plaats in.
Meest aantoonbaar waren natuurlijk de cycli van zon en maan, die voor een groot deel het leven op aarde bepaalden. Zij zorgden voor vaste tijden en door het ritmisch verschijnen van opkomst en ondergang waren zon en maancycli ook voorspelbaar. Bovendien waren eb en vloed bewijzen dat de kringloop zich op aarde voordeed. Geheel in overeenstemming met de wet van analogie (macrokosmos is microkosmos), was men van mening dat ook andere contraria, zoals leven en dood, droogte en vruchtbaarheid, oorlog en vrede, enzovoort, zich in cyclisch verband voordeden.

Pr.03:01-   
Alles heeft zijn uur en ieder ding onder de hemel zijn tijd.
Er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven. Er is een tijd om te doden en een tijd om te helen. Er is een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen. Er is een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen. Er is een tijd om te beminnen en een tijd om te haten. Er is een tijd van oorlog en een tijd van vrede.

Wanneer een koning werd afgezet, werd hij opgevolgd door een nieuwe koning, maar ook die zou zijn plaats weer moeten afstaan aan een andere koning, en visa versa.

Dn.02:20-             
Daniël hief aan en zeide: Geprezen zij de naam Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid want Hem behoort de wijsheid en de kracht! Hij toch verandert tijden en stonden, Hij zet koningen af en stelt koningen aan.

Spr.27:23-           
Let wel op de staat van uw kleinvee, en zet uw hart op de kudden, want een schat duurt niet voor eeuwig; blijft soms een kroon van geslacht tot geslacht?

Een tijd van vrede sloeg om in een tijd van oorlog en na oorlog kwam er weer vrede, maar aangezien het hier om denkbeeldige cycli ging, bleef het afwachten wanneer de nieuwe situatie zich zou voordoen. In dit geval sprak men niet van gezette of vaste tijden maar van bestemde tijden. Let trouwens bij Dn.02:20 op de nummering. Het getal twee duidt op dualiteit en het getal nul verwijst naar kringloop.

Pr.03:17-
(...) want er is voor elke zaak en voor elk werk een bestemde tijd.

Jh.08:20-                             
Deze woorden sprak Jezus bij de schatkamer, lerende in de tempel; en niemand greep Hem, want zijn ure was nog niet gekomen.

Gn.15:16-
Het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheden der Amorieten niet vol.

De bestemde tijd brak aan als de maat vol was en de ure was gekomen. Omdat het bij bovengenoemde situaties een denkbeeldige cyclus betrof waarvan het ritme niet bekend was,  trachtte men het tijdstip te voorspellen. Het is evident dat sterrenwichelaars uit alle macht probeerden uit te rekenen wanneer de maat precies vol was. Hiervoor bestudeerden zij de stand van zon, maan en planeten, en hadden zij hun blik gericht op de dierenriem, de Grote Beer, de Pleiaden, Sirius, Orion, etc.

Jb.38:31-      
Kunt gij de banden der Pleiaden binden, of de boeien van de Orion slaken? Doet gij de tekens van de dierenriem te rechter tijd opgaan, en bestuurt gij de Beer met zijn jongen? Kent gij de inzettingen des hemels, bepaalt gij zijn heerschappij over de aarde?

Jb.09:07-      
Hij geeft aan de zon bevel en zij gaat niet op, en Hij sluit de sterren onder zijn zegel weg. Hij spant geheel alleen de hemel uit, en Hij schrijdt voort over de hoogten der zee. Hij maakt de Beer en de Orion, de Pleiaden en de Kamers van het Zuiden.

Nm.24:17-    
Ik zie hem, maar niet nu; ik schouw hem, maar niet van nabij; een ster gaat op uit Jakob (...).

Mt.02:01-     
Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem in Judea, in de dagen van koning Herodus, zie, wijzen uit het Oosten kwamen te Jeruzalem, en vroegen: Waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om hem hulde te bewijzen.

Ga naar paragraaf 06 »