HOME

ZIJN
INLEIDING

HOOFDSTUK I:
01. De naam HERE
02. Ik Ben die Ik Ben
03. Ik Ben de HERE
04. De Ik Ben-woorden
05. Alom aanwezig Zijn
06. Onveranderlijk Zijn
07. Zijn is Wezen en Werkelijkheid
08. Amen
09. Zichzelf genoeg Zijn
10. Eén, ongedeeld Zijn

HOOFDSTUK II:
01. Inleiding
02. Het opperwezen
03. Het fundament Zijn
04. De grondlegging der wereld

HOOFDSTUK III:
01. Thuis Zijn
02. Het huis des HEREN
03. Sion

HOOFDSTUK IV:
01. Ik ben met u
02. Het verbond
03. Tot aanzijn roepen
04. Op zoek naar het Zijn
05. Geloven

HOOFDSTUK V:
01. Zijn is Leven
02. Onvergankelijk Leven
03. Onsterfelijkheid
04. Niet Zijn

HIER EN NU ZIJN

Inleiding
01. Eeuwig Zijn
02. Hier en nu Zijn
03. Hier Ben ik
04. Heden Zijn
05. Het ondeelbare ogenblik
06. Het verleden
07. Zuurdesem
08. De toekomst

ZIJN en BEWUSTZIJN in de Bijbel
HOOFDSTUK II: Zijn als fundament

01. Inleiding

Het tweede en derde couplet uit een Indische scheppingshymne beschrijven de situatie, waaruit de wereld is ontstaan.

"Niet dood bestond toen, noch onsterfelijkheid,
de nacht was niet geopenbaard, noch ook de dag.
Slechts ademde, windstil, in diepe oorspronkelijkheid
het Ene, buiten welke geen ander was.

Door duister was geheel het Niets bedekt,
een oceaan, van licht gespeend, in nacht verloren,
Toen werd, wat in de schaal verborgen was,
het Ene, in de pijngloed van de kracht geboren.”

Volgens de Indische filosofie betreft het hier een toestand van vóór de dualiteit. Van dood en onsterfelijkheid, van dag en nacht, was nog geen sprake. Alvorens de dualiteit haar intrede doet, was er slechts het Ene, het Ene Niets, buiten welk niets anders was. Het moge duidelijk zijn dat het Ene of onbegrensde Niets voor de mens nauwelijks te bevatten viel, en ver van het menselijke bewustzijn verwijderd was. Niettemin trachtte men zich toch een beeld te vormen hoe de schepping tot stand was gekomen, en zodoende verscheen het opperwezen of de oppergod ten tonele die verantwoordelijk was voor de beginfase.

02. Het opperwezen

Voor de oorsprong van het opperwezen moeten we terug naar lang vervlogen tijden toen men alles in de natuur, van het kleinste insect tot het gehele universum nog als begeesterd zag. De kosmos was een levend lichaam, een oerwezen die van den beginne aan aanwezig was. Binnen deze levende totaliteit, leefden een onbegrensde verscheidenheid aan op zichzelf staande onderdelen die wat hun bestaan betreft, afhankelijk waren van het opperwezen. Pas veel later projecteerde de mens zichzelf buiten het opperwezen, en waarschijnlijk veranderde het opperwezen toen in een oppergod, die hoog in de hemel woonde, terwijl de mens op aarde vertoefde. De Bijbel ziet Israëls God als oppergod, want Hij werd niet voor niets de Allerhoogste, de Almachtige, de Eeuwige, de Vader, de Schepper, en de HERE der heerscharen genoemd.

Gn.02:04-             
Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden. Ten tijde dat de HERE God aarde en hemel maakte (…).

Dt.10:17-                              
Want de HERE, uw God, is de God der goden en de Here der heren, de grote, sterke en vreselijke God, die geen partijdigheid kent.

In het gehele Fenicische/Kanaänitische en Semitische cultuurgebied stond de Kanaänitische oppergod El bekend als dé Schepper en Vader van de wereld. Teksten uit Ugarit beelden de figuur van deze god uit; hij zat op een troon, werd voorgesteld als grijsaard met horens op zijn hoofd, en de oude teksten noemen hem schepper, vader der jaren, vader der mensheid, en een wijze koning. Hoewel El in het Oude Testament als zelfstandig naamwoord dient voor God, is de invloed van de Kanaänitische oppergod El nog duidelijk herkenbaar.

Js.66:01-              
Zo zegt de HERE: De hemel is mijn troon en de aarde de voetbank mijner voeten.

Js.63:15-              
Gij immers zijt onze Vader; want Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet; Gij HERE, zijt
onze Vader, onze Verlosser van oudsher is uw naam.

Js.64:08-              
Maar nu, HERE, Gij zijt onze Vader; wij zijn het leem, Gij zijt onze Formeerder en wij allen zijn het
werk van uw hand.

Op velerlei gebied vertoont Israëls God een grote gelijkenis met zijn Kanaänitische collega.
Specifiek in de eerste 35 verzen van Genesis komt de naam El voor God vaak voor.

De taak van het Kanaänitische oppergod El bestond  - zoals overigens ook bij andere oppergoden uit de mythologische wereld - uit het transformeren van de oorspronkelijke oerchaos tot een meer ordelijk geheel. De God (El) in Genesis beantwoordt aan dit doel door een eerste globale indeling van zeven dagen te scheppen, waarmee Hij een basisstructuur creëert in de aanvankelijk nog wanordelijke oerpap.

In de mythologie hadden oppergoden eigenlijk maar een zeer beperkte functie, want hoewel hun namen bleven voortleven onder de bevolking - zoals bijvoorbeeld bij El van de Kanaänieten, en Uranos van de Grieken het geval was- speelden zij na hun scheppingsdaad geen belangrijke rol meer in het godsdienstige leven, en gingen zij zogezegd ten rustte. Zo werd de passiviteit van Uranos uitgedrukt door zijn castratie, waardoor hij impotent was geworden, en geen deel meer kon hebben aan wat er in de wereld plaatsvond. Om het scheppingswerk voort te zetten, te voltooien en in stand te houden, traden andere goden (meestal familieleden van de oppergod) veel actiever op de voorgrond. Deze inferieure goden stonden dichter bij de mens, dan de ver verwijderde hemelgod (deus otiosus, niet actieve god). Zij vormden een geschiedenis (of mythe), waarin zij met elkaar omgingen, zoals mensen dat ongeveer ook gewend zijn. Zo hadden zij net als mensen kinderen, een familie, een hofhouding, enzovoort, en verrichtten zij werkzaamheden, die niet boven het voorstellings-vermogen van de mens uitreikten.
Aan de hand van bovenstaande kunnen we een en ander vergelijken met de bijbelse Schepper El.

Ga verder met hoofdstuk II, paragraaf 02 »