HOME

ZIJN
INLEIDING

HOOFDSTUK I:
01. De naam HERE
02. Ik Ben die Ik Ben
03. Ik Ben de HERE
04. De Ik Ben-woorden
05. Alom aanwezig Zijn
06. Onveranderlijk Zijn
07. Zijn is Wezen en Werkelijkheid
08. Amen
09. Zichzelf genoeg Zijn
10. Eén, ongedeeld Zijn

HOOFDSTUK II:
01. Inleiding
02. Het opperwezen
03. Het fundament Zijn
04. De grondlegging der wereld

HOOFDSTUK III:
01. Thuis Zijn
02. Het huis des HEREN
03. Sion

HOOFDSTUK IV:
01. Ik ben met u
02. Het verbond
03. Tot aanzijn roepen
04. Op zoek naar het Zijn
05. Geloven

HOOFDSTUK V:
01. Zijn is Leven
02. Onvergankelijk Leven
03. Onsterfelijkheid
04. Niet Zijn

HIER EN NU ZIJN

Inleiding
01. Eeuwig Zijn
02. Hier en nu Zijn
03. Hier Ben ik
04. Heden Zijn
05. Het ondeelbare ogenblik
06. Het verleden
07. Zuurdesem
08. De toekomst

ZIJN en BEWUSTZIJN in de Bijbel

1.        
Ook van de Schepper in de Bijbel begreep men niet veel, want ook Hij speelde een vrij onduidelijke en vage rol. Het scheppen van de kosmos was nu eenmaal een karwei, dat elke voorstelling te boven ging. Niemand begreep hoe de schepping van de kosmos in zijn werk ging, hoe de hemel werd gemaakt, hoe de maan en de sterren zijn ontstaan, hoe groot de kosmos is. Bovendien verschijnt de HERE bij Gn.01:01 zomaar uit het niets, en schiep Hij uit het niets (ex nihilo). Er zij licht, en er was licht, etc.

2.        
In de mythologie beperkte een oppergod zich tot het meest noodzakelijke scheppingswerk, waarna hij
zich passief op de achtergrond terugtrok. Diezelfde passiviteit treedt op bij de Schepper in de Bijbel die op bij de zevende dag, uitrustte van Zijn scheppingswerk dat voltooid was.

Gn.02:01-             
Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heer. Toen God op de zevende dag het werk
voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had.

Hbr.04:10-           
Want wie tot zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals God van de zijne. Laten wij er dus ernst mede maken om tot die rust in te gaan (…).

3.
Israëls God was een monotheïstische God, die geen hulptroepen naast Zich duldde in de vorm van een inferieure godenfamilie, die Zijn werk konden afmaken. Bovendien mocht Hij ná afloop van de zeven scheppingsdagen niet hetzelfde lot overkomen als alle andere oppergoden, die na het beëindigen van hun taak in de vergetelheid raakten, en  min of meer als vijfde wiel aan de wagen passief en vaag op de achtergrond bleven rondhangen. De Ene en Enige God van Israël moest Schepper zijn én blijven! Het probleem werd opgelost door de hoedanigheden en kwaliteiten van de lagere goden onder te brengen bij Israëls God, bijvoorbeeld onder Zijn titel Elohim en Here (met kleine leters, Adonia). Naast de Kanaänitische oppergod zijn vele, vele voorbeelden in de Bijbel te vinden, dat de hoedanigheden van inferieure afgoden werden overgenomen door de God van Israël. Op die manier kon de bijbelse God van het begin tot het einde de eerste viool spelen, waar in de mythologie allang lagere goden een actieve rol zouden hebben gekregen! En hier wijkt het Bijbelse verhaal dus af van de mythologie.

De eersten, die sceptisch tegenover de goden kwamen te staan, waren de Griekse filosofen. Vanaf 500 voor Chr. werd het kosmische Opperwezen meer en meer geabstraheerd tot een Kosmisch Zijn, dat tot een uitgebreide wetenschap zou leiden, die het Zijn als voorwerp van beschouwing nam. Er zijn duidelijk parallellen te vinden tussen het Opperwezen en wat de Griekse filosofen later het Zijn begonnen te noemen.
1.
Evenals het Opperwezen staat het Zijn (JHWH) aan de basis van de schepping.
2.
Een Opperwezen was na zijn scheppingsdaad passief op de achtergrond aanwezig. Diezelfde passiviteit vinden we terug bij de onveranderlijkheid en rust van het Zijn (JHWH).

3.
Het Zijn (JHWH, de Zijnde) lijken evenals het Opperwezen ver van de mens af te staan, vooral omdat Zijn
onzichtbaar en vormloos is, en daardoor weinig van toepassing lijkt op de realiteit van ons dagelijkse
bestaan. De Bijbel maakt er dan ook regelmatig gewag van dat het volk de HERE niet begreep, en er sprake was van afvalligheid.

03. Het fundament Zijn


Door alle eeuwen heen, hebben de Wijzen het Zijn - met name vanwege het constante aspect - opgevat als de Bron van het bestaan en als een eeuwig Zijn of Leven. En dit gegeven wordt tenslotte, als men er zo hoog nodig een godsdienst van wil maken, ook wel God genoemd.

1Cor.08:04-
(…)wij weten dat er geen afgod in de wereld bestaat en dat er geen God is dan Eén. Want al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde -en werkelijk zijn er goden in menigte en heren in menigte- voor ons is er nochtans maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn en één Here. Jezus Christus, door wie alle dingen zijn en wij door Hem Maar niet bij allen is die kennis. Want sommigen in hun geweten nog niet los van de afgod, eten dit vlees als afgoden offer en hun geweten, dat zwak is wordt erdoor besmet.

Het Zijn (eigenlijk het onbegrensde Bewust-Zijn of Eenheidsbewustzijn) is transcendent en immanent, en we leren het kennen door zelf bewust te Zijn. De term geweten verwijst naar bewustzijn.

1Jh.02:13-   
Ik schrijf u, vaders, want gij kent Hem, die van den beginne is.

Hij, die van den beginne Is, noemen wij JHWH, de Zijnde en is door mensen gekend, want iedereen heeft een relatie met Zijn of Leven. De Bijbel stelt Hem vóór alles. Los van de gedachte dat JHWH een Persoon zou zijn, is dit onbegrensde totaal Zijn of totaal Leven de basis, of het fundament van de schepping, die deels manifest en deels onmanifest is. De oorsprong van ieder mens en van alle dingen ligt besloten in deze Zijns-basis. Te Zijn vormt de fundamentele verklaring voor elk bestaansvorm, hetzij bewust, hetzij onbewust.

Bij het volgende fragment wordt het volk weggerukt van het fundament Zijn.

Jr.12:14-      
Zo zegt de HERE: Aangaande al de boze naburen, die losslaan op het erfdeel, dat Ik aan mijn volk,
aan Israël, ten erfdeel gegeven heb: Zie, Ik ruk hen weg van hun bodem (...).

_   

Ga verder met hoofdstuk II, paragraaf 03 »