HOME

ZIJN
INLEIDING

HOOFDSTUK I:
01. De naam HERE
02. Ik Ben die Ik Ben
03. Ik Ben de HERE
04. De Ik Ben-woorden
05. Alom aanwezig Zijn
06. Onveranderlijk Zijn
07. Zijn is Wezen en Werkelijkheid
08. Amen
09. Zichzelf genoeg Zijn
10. Eén, ongedeeld Zijn

HOOFDSTUK II:
01. Inleiding
02. Het opperwezen
03. Het fundament Zijn
04. De grondlegging der wereld

HOOFDSTUK III:
01. Thuis Zijn
02. Het huis des HEREN
03. Sion

HOOFDSTUK IV:
01. Ik ben met u
02. Het verbond
03. Tot aanzijn roepen
04. Op zoek naar het Zijn
05. Geloven

HOOFDSTUK V:
01. Zijn is Leven
02. Onvergankelijk Leven
03. Onsterfelijkheid
04. Niet Zijn

HIER EN NU ZIJN

Inleiding
01. Eeuwig Zijn
02. Hier en nu Zijn
03. Hier Ben ik
04. Heden Zijn
05. Het ondeelbare ogenblik
06. Het verleden
07. Zuurdesem
08. De toekomst

ZIJN en BEWUSTZIJN in de Bijbel

HOOFDSTUK IV: De mens als Zijnde

01. Ik ben met u

Behalve door te spreken, en rechtop te staan, onderscheidt de mens zich van de dieren doordat hij zelfbewust is, of tenminste zelfbewust kan zijn. Dit zelfbewust Zijn kenmerkt zich door de bewuste ervaring: Ik Ben, die het onmiddelijke gewaar Zijn van de eigen Identiteit en het eigen bestaan weergeeft. De realisatie van het hoger Zelf (of Ziel) is waar de mens in zijn diepste wezen behoefte aan heeft.
Volgens de wet van analogie trekt het gelijke het gelijke aan. De hogere gebieden -  in de Bijbel hemelen genoemd - trekken het hogere in de mens aan. JHWH, de Zijnde trekt de zijnen aan. Natuurgetrouw voelen mensen een innerlijke drang te Zijn, en Zichzelf te Zijn. Door te Zijn voelt de mens zich weer aangetrokken tot God, die eveneens Is. In dit licht moeten we onderstaande citaten opvatten.

Dt.31:08-              
Want de HERE zelf zal met u zijn, Hij zal u niet begeven en u niet verlaten, vrees niet en wordt niet
verschrikt.

De woorden Ik Ben met u  zijn vanuit drie invalshoeken te interpreteren.
1.
Ik Ben bij u
2.
Ik Ben samen met u
3.
Ik Ben gelijk u

De uitdrukking Ik Ben met u komtveelvuldig voor in de Schrift, zodat we volstaan met enkele aanhalingen.

Gn.21:23-             
In die tijd zeide Abimelech, alsook zijn legeroverste Pichol tot Abraham": God is met u in alles wat
gij doet.

Het maakt niet uit, waar men zich bevindt, noch waar men mee bezig is. Het Zijn is altijd onveranderlijk aanwezig, zowel in de mens als buiten hem.

Gn.28:15-             
En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat.

Ex.03:11-              
Maar Mozes zeide tot God: Wie ben ik, dat ik naar de Farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden? Toen zeide Hij: Ik ben immers met u!

Hier bij Ex.03:11 vraagt Mozes naar zijn eigen Identiteit: Wie Ben ik? en het antwoord hierop luidt:
Ik Ben met u. Dus: Ik Ben evenals u bent.

Js.43:01-
Ik heb u bij mijn naam geroepen, gij zijt Mijn. Wanneer gij door het water trekt, ben Ik met u; (...).

De Naam duidt op de ware identiteit te Zijn.

Jr.01:19-              
(…) al zullen zij tegen u strijden, zij zullen u niet overmogen, want Ik ben met u, luidt het woord des
HEREN, om u te bevrijden.

Hg.01:13-             
En Haggai de bode des HEREN zeide, krachtens de boodschap des HEREN tot het volk: Ik ben met u, luidt het woord des HEREN.

Rm.15:33-
De God des vredes zij met u allen! Amen.

Mt.01:23-             
Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam Immánuel geven,
hetgeen betekent: God met ons.

Mt.12:30-             
Wie met Mij niet is, die is tegen Mij (...).

In beginsel zijn er twee opties. Of iemand Is en dan Is hij met JHWH, de Zijnde. Òf iemand Is niet en dan keert hij zich tegen JHWH.

Mt.28:20-
En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld.


02. Het verbond

In de vier simpele woordjes Ik Ben met u ligt het principe van het Verbond besloten, dat gebaseerd is op de natuurlijke aantrekkingskracht van JHWH (de Zijnde) tot Zijn mensenkinderen. De verbondsverhouding tussen de HERE en Zijn volk geeft daarmee de wederzijdse relatie en het  verkeer aan tussen de HERE en de Zijnen, maar ook tussen de Zijnen onderling. Voor de mens is er alleen toegang tot Jahwe  via het Zijn, dat wij in feite zijn. Hetzelfde geldt voor de relatie van mens tot mens. Wezenlijk contact tussen die twee berust op zielencontact: een samen Zijn.

Ga verder met hoofdstuk IV, paragraaf 02 »