HOME

ZIJN
INLEIDING

HOOFDSTUK I:
01. De naam HERE
02. Ik Ben die Ik Ben
03. Ik Ben de HERE
04. De Ik Ben-woorden
05. Alom aanwezig Zijn
06. Onveranderlijk Zijn
07. Zijn is Wezen en Werkelijkheid
08. Amen
09. Zichzelf genoeg Zijn
10. Eén, ongedeeld Zijn

HOOFDSTUK II:
01. Inleiding
02. Het opperwezen
03. Het fundament Zijn
04. De grondlegging der wereld

HOOFDSTUK III:
01. Thuis Zijn
02. Het huis des HEREN
03. Sion

HOOFDSTUK IV:
01. Ik ben met u
02. Het verbond
03. Tot aanzijn roepen
04. Op zoek naar het Zijn
05. Geloven

HOOFDSTUK V:
01. Zijn is Leven
02. Onvergankelijk Leven
03. Onsterfelijkheid
04. Niet Zijn

HIER EN NU ZIJN

Inleiding
01. Eeuwig Zijn
02. Hier en nu Zijn
03. Hier Ben ik
04. Heden Zijn
05. Het ondeelbare ogenblik
06. Het verleden
07. Zuurdesem
08. De toekomst

ZIJN en BEWUSTZIJN in de Bijbel

04. Op zoek naar het Zijn


Ex.16:07-              

En morgenochtend zult gij de heerlijkheid des HEREN zien, omdat Hij uw gemor tegen de HERE
gehoord heeft. Want wat zijn wij, dat gij tegen ons mort? En Mozes zeide: Als de HERE u in de avond volop vlees te eten geeft en in de morgen volop brood, omdat de HERE het gemor, waarmede gij tegen Hem gemord heeft, gehoord heeft -Wat zijn wij? Niet tegen ons was uw gemor, maar tegen de HERE.      

Bovenstaande passage zit vol symboliek en dubbelzinngheid. Men informeert naar zijn identiteit, maar kennelijk bestonden er op dit gebied misverstanden. Men vroeg namelijk niet wie Zijn wij? maar wat Zijn wij? Zijn wij iets of iemand? Zijn wij dit of dat? Of is de identiteit te Zijn een puur geestelijke ervaring en dus geheel vormloos?

1Sm.18:18-          
Wie ben ik en wie zijn mijn verwanten, het geslacht van mijn vader, in Israël, dat ik een schoonzoon van de koning zou worden?

_         
Wie Ben ik? Ook David vraagt hier naar zijn Identiteit, zowel naar de eigen Identiteit, als naar die
van zijn verwanten; de overige Zijnden.  

Zch.01:05-           
Uw vaderen, waar zijn zij? En de profeten, leven zij eeuwig?

Ri.13:06-              
De vrouw nu kwam en zeide tot haar man: Een man Gods kwam bij mij, die eruit zag als een engel
Gods, zeer vreselijk. Ik heb hem niet gevraagd, vanwaar hij was, en hij heeft mij zijn naam niet
bekend gemaakt.

Ri.13:17-              
Daarop zeide Manoah tot de Engel des HEREN: Hoe is uw naam, want wanneer uitkomt, wat gij
gezegd hebt, dan willen wij u eren. Maar de Engel des HEREN zeide tot hem: Waarom vraagt gij toch naar mijn naam? Immers, die is wonderbaar.

De Engel des HEREN droeg de naam JHWH, die niet uitgesproken mocht worden. Bovendien
is het zinloos om te vragen vanwaar hij was, want JHWH Is. De Identiteit van de alom aanwezig
Zijnde is wonderbaar!

Opb.16:05-           
En ik hoorde de engel der wateren zeggen: Rechtvaardig zijt Gij, die zijt en waart.

Ps.104:33-           
Ik zal de HERE zingen, zolang ik leef, Ik zal mijn God psalmzingen, zolang ik ben.

Jr.03:22-              
"Keert weder, afkerige kinderen, Ik zal uw afdwalingen genezen." Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HERE, onze God.

Hb.03:02-             
HERE, ik heb uw tijding aangaande u vernomen, Ik ben, HERE, met vreze voor uw werk vervuld;
roep het in het leven in de loop der jaren. maak het openbaar in de loop der jaren.

Wie niet met Christus is, keert zich tegen Hem.

Mt.12:30-             
Wie met Mij niet is, die is tegen Mij en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooid.

Hd.13:25-             
En toen hij zijn loopbaan volbracht had, zeide Johannes: Wat gij meent dat ik ben, ben ik niet, maar zie na mij komt Hij, wie ik niet waardig ben het schoeisel van zijn voeten los te maken.

Het bewust Zijn van de Christus, is veel groter (ruimer) dan dat van Johannes, zoals de Atlantische
Oceaan, groter is dan een vijver en een vijver veel en veel ruimer dan een druppel water. Vergelijk de
beeldvorming met concentrische cirkels.

Ook Paulus was zich bewust te Zijn en ziet in dit opzicht geen onderscheid tussen zichzelf en zijn
toehoorders. Paulus zag de broeders dus als Zijnsgelijken.

Gl.04:12-                              
Weest zoals ik, bidt ik u broeders, omdat ook ik ben zoals gij.
_            
1Cor.15:10-         
Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben en Zijn genade is aan mij niet vergeefs geweest.

Ef.01:02-                              
En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de
gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in alles volmaakt.

Hd.17:28-             
Want in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd. Want wij zijn ook van zijn geslacht.


De mens leeft als deeltje binnen een groter bewustzijn (in Hem leven wij).
In de Kern der zaak  is, dat ieder mens uit hetzelfde geslacht geboren is, namelijk uit JHWH, de
totaal Zijnde. Aldus spreken we van broeders en zusters, als we het over onze naasten
hebben.

Ga verder met hoofdstuk IV, paragraaf 04 »