HOME

ZIJN
INLEIDING

HOOFDSTUK I:
01. De naam HERE
02. Ik Ben die Ik Ben
03. Ik Ben de HERE
04. De Ik Ben-woorden
05. Alom aanwezig Zijn
06. Onveranderlijk Zijn
07. Zijn is Wezen en Werkelijkheid
08. Amen
09. Zichzelf genoeg Zijn
10. Eén, ongedeeld Zijn

HOOFDSTUK II:
01. Inleiding
02. Het opperwezen
03. Het fundament Zijn
04. De grondlegging der wereld

HOOFDSTUK III:
01. Thuis Zijn
02. Het huis des HEREN
03. Sion

HOOFDSTUK IV:
01. Ik ben met u
02. Het verbond
03. Tot aanzijn roepen
04. Op zoek naar het Zijn
05. Geloven

HOOFDSTUK V:
01. Zijn is Leven
02. Onvergankelijk Leven
03. Onsterfelijkheid
04. Niet Zijn

HIER EN NU ZIJN

Inleiding
01. Eeuwig Zijn
02. Hier en nu Zijn
03. Hier Ben ik
04. Heden Zijn
05. Het ondeelbare ogenblik
06. Het verleden
07. Zuurdesem
08. De toekomst

ZIJN en BEWUSTZIJN in de Bijbel

 

04. Niet Zijn

In hoeverre iemand kan Zijn en zich realiseert zich binnen het totaal Zijn (binnen JHWH) te bevinden, is een kwestie van bewustwording en bewust Zijn. Wanneer het Zijn niet wordt ervaren, dan lijkt het alsof God niet bestaat. Het zonder God zijn is echter een onmogelijk, aangezien JHWH de Zijnde alom aanwezig is. In de Schrift is goddeloosheid dan ook niet zozeer het zonder God zijn, maar de verbreking van het verbond met het Zijn. Een goddeloze is een niet-zijnde. Hij Is niet, dat wil zeggen: hij is onbewust te Zijn. Dit blijkt heel duidelijk uit onderstaande fragmenten.

Ps.37:10-             
Immers nog een wijle en de goddeloze is niet meer; als gij let op zijn plaats dan is hij niet meer; maar de ootmoedigen beërven het land en verlustigen zich in grote vrede.

Spr.10:25-           
Als de stormwind voorbijgaat, dan is de goddeloze niet meer (…).

Spr.12:07-           
De goddelozen worden omvergeworpen en zijn niet meer (…).

Ps.10:04-             
De goddeloze met zijn neus in de hoogte (denkt): Hij vraagt geen rekenschap; al zijn gedachten zijn:
Er is geen God (…).

Ps.14:01-             
De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God (…).

Ps.14:02-             
(…) De HERE ziet neder uit de hemel op de mensenkinderen om te zien, of er één verstandig is, één die God zoekt.

Kl.05:06-                              
Naar Egypte strekken wij de hand uit, naar Assur, om verzadiging van brood. Onze vaders hebben
gezondigd, zij zijn niet meer.

De kinderen hebben de HERE verlaten en zijn zich onbewust te Zijn. Zij zijn niet of niet meer.

Ez.26:20-                              
Ik zal u doen wonen in de onderwereld bij de puinhopen uit de voortijd, met hen die in de groeve
neerdalen, opdat gij niet meer bewoond wordt en niet meer herrijst in het land der levenden. Tot een voorwerp der verschrikking zal Ik u maken en gij zult niet meer zijn.

De Bijbel creëert een soort onverzoenlijke scheiding tussen de Zijnden en de niet zijnden, welke laatsten overeenstemmen met goddelozen. Dezelfde splitsing merken wij op tussen rechtschapenen en heidenen.

Spr.30:11-           
Er is een geslacht, dat zijn vader vervloekt en zijn moeder niet zegent, een geslacht dat rein is in eigen ogen, maar niet van zijn vuil is gewassen een geslacht met trotse ogen en opgetrokken wimpers een geslacht, welks tanden zwaarder, welks gebit messen zijn om de ellendige te verteren, zodat er geen meer zijn in het land.

Verwarring treedt hier op, omdat het niet zijn in de Bijbel eveneens betrekking kan hebben op de dood van het stoffelijk lichaam, en er bovendien hier en daar onderscheid wordt gemaakt tussen niet zijn en er niet zijnBijvoorbeeld bij de volgende fragmenten, waar Jakob meende dat zijn geliefde zoon Jozef door de leeuwen was verscheurd.

Gn.42:13-             
(…) wij zijn broeders, zonen van één man in het land Kanaän, en zie, de jongste is thans bij onze
vader, en één is niet meer (…).

Gn.42:32-             
Wij waren twaalf in getal, broeders, zonen van onze vader; één is niet meer en de jongste is thans bij onze vader (…).

Gn.42:36-             
En hun vader Jakob zeide tot hen: Gij berooft mij van kinderen; Jozef is niet meer, en Simeon is er
niet meer (…).

Bij Jr.10:20 is sprake van er niet meer zijn.

Jr.10:20-                              
Mijn tent is vernield en al mijn koorden zijn losgerukt; mijn kinderen zijn van mij weggegaan en zijn er niet; geen is er meer, die mijn tent spant, mijn tentkleden opricht.

Tot slot volgen nog enkele teksten, die verwijzen naar niet meer zijn.

Jb.07:21-              
En waarom vergeeft Gij mijn overtredingen niet en doet Gij mijn ongerechtigheid niet weg? Want
weldra zal ik nederliggen in het stof dan zult Gij mij zoeken, maar ik zal niet meer zijn.

Jb.14:12-              
Zo legt een mens zich neer en staat niet weer op; totdat de hemelen niet meer zijn, ontwaken zij niet en worden niet wakker uit hun slaap.

 

Ga verder met hoofdstuk V, paragraaf 04 »